Maanden schrijf je in het Nederlands met een kleine letter: januari, februari, maart, enzovoort. Alleen aan het begin van een zin of in een titel krijgt een maandnaam een hoofdletter. Dat geldt ook voor de dagen van de week: maandag, dinsdag en woensdag schrijf je eveneens klein.
De twijfel is begrijpelijk: in het Engels zie je overal January en March, en ook in het Duits krijgen maanden een hoofdletter. Hieronder lees je hoe de Nederlandse regel precies zit, waar hij vandaan komt en wanneer je wél een hoofdletter gebruikt.
De regel: maandnamen krijgen een kleine letter
Volgens de officiële spelling van de Nederlandse Taalunie schrijf je de namen van maanden, dagen, seizoenen en windrichtingen met een kleine letter. Deze regel staat al sinds de woordenlijst van 1954 vast. De gedachte erachter: een maandnaam is geen eigennaam zoals Amsterdam of Nederland, maar een soortaanduiding, net als ‘week’, ‘boek’ of ‘hond’. Je schrijft dus: “De cursus start in september” en “Vorig jaar was maart uitzonderlijk zacht.”
Wanneer krijgt een maand wél een hoofdletter?
- Aan het begin van een zin: “Februari is meestal de koudste maand van het jaar.” De hoofdletter hoort hier bij de zin, niet bij de maand.
- In titels en namen van evenementen: in een boektitel of een evenementnaam als “Februari Fair” kan een hoofdletter horen bij de huisstijl of titelconventie.
In alle andere gevallen, dus midden in een lopende zin, blijft het gewoon een kleine letter. “Mijn verjaardag is in Oktober” is volgens de officiële spelling fout.
Waarom schrijft het Engels maanden wél met een hoofdletter?
Elke taal hanteert eigen hoofdletterregels. In het Engels worden maanden en dagen als eigennamen behandeld: January, February, Monday. In het Duits krijgt zelfs elk zelfstandig naamwoord een hoofdletter, dus ook Januar en Februar. Het Frans en het Spaans doen het juist zoals het Nederlands: “nous partons en avril”, “mi cumpleaños es en septiembre”. Wie veel Engelse teksten leest, neemt de Engelse gewoonte snel onbewust over, en precies daar ontstaat de meeste twijfel.
Waar komen de maandnamen vandaan?
Onze maandnamen stammen uit de Romeinse kalender. Januari is vernoemd naar Janus, de Romeinse god van doorgangen en beginpunten, met twee gezichten: één naar het verleden en één naar de toekomst. Maart verwijst naar Mars, de god van de oorlog; in veel oude kalenders begon het jaar zelfs in maart. Juli en augustus zijn vernoemd naar Julius Caesar en keizer Augustus. Een mooie historie, maar voor de spelling maakt die afkomst niets uit: in modern Nederlands blijven het kleine letters.
Consistentie is het halve werk
Schrijf je in één tekst afwisselend “Mei” en “mei”, dan oogt dat slordig, ook voor lezers die de regel zelf niet kennen. Houd dus vast aan de kleine letter, zeker in zakelijke e-mails, rapporten en webteksten. Twijfel je vaker over dit soort kwesties? Ook bij werkwoordspelling gaat het vaak mis: denk aan het verschil tussen ‘bepaalt’ en ‘bepaald’ of tussen ‘gebeurd’ en ‘gebeurt’. Daar gelden vergelijkbaar simpele regels die je maar één keer hoeft te leren.
Veelgestelde vragen
Is het Januari of januari?
Midden in een zin is het altijd ‘januari’ met een kleine letter: “we verhuizen in januari”. Alleen als het woord een zin of titel opent, schrijf je ‘Januari’ met een hoofdletter.
Schrijf je dagen van de week met een hoofdletter?
Nee, ook dagen krijgen in het Nederlands een kleine letter: maandag, dinsdag, zaterdag. Dezelfde regel geldt voor seizoenen (lente, zomer) en windrichtingen (noorden, zuidwest).
Schrijf je feestdagen ook met een kleine letter?
Nee, officiële feestdagen zijn wél eigennamen en krijgen een hoofdletter: Kerstmis, Pasen, Koningsdag. Vandaar dat je schrijft: “Kerstmis valt in december”, met een grote K en een kleine d.