Verhalen over de "Ramp van Nieuwkuijk"  

  

     

 

  HOME
 

  Nieuws
 

  ENCEKLOPEDIE
 

  schade nieuwkuijk


  Gastenboek
 

  Contact

    

  
   
   laatste update: 18-01-2011  
 

 Verslag van het onderzoek naar de dijkdoorbraak in den Heidijk van 29 december op 30 december 1880

 

Door de hoofdingenieur Bake  van de Provincie Noord Brabant is een onderzoek ingesteld naar bovengenoemde dijkdoorbraak. Voor dit onderzoek zijn door hem verschillende personen die ambtshalve of vrijwillig het dijkvak bezochten, gehoord.

Op grond van hun verklaringen wordt de dijkdoorbraak door hem als volgt verklaart:

De dijk ter plaatse had het volgende profil: kruisbreedte 5 meter, buiten beloop 3 op 1, binnenbeloop 2 1 op 1, kruinshoogte gemiddeld 7,20 M boven AP. Het terrein buitendijks ligt op ongeveer 3,30 M boven AP en het terrein binnendijks op 3.10 M boven AP.

Het dijklichaam is samengesteld uit zeer lichte zandsoort, de glooiingen waren voldoende met gras begroeid. Meermalen wanneer het water tegen den dijk stond, werd op verschillende punten doorsijpeling waargenomen, wat in verband met de geaardheid van den grond waaruit de dijk is samengesteld, zeer natuurlijk is. Ook in de laatste dagen van december, werd zulks weder op verschillende punten opgemerkt.

Deze doorkwellingen of doorzijpelingen, gaven echter bij niemand tot bezorgdheid aanleiding.  Wel ontstond er grootte ongerustheid bij de verschillende in de nabijheid wonende personen, toen zij in den morgen van den 28 december opmerkten dat ter plaatse A op bijgaande kaart *) aangeven door ene pijp, die volgens hunnen verklaringen, de wijdte had van een vuist en ongeveer 50 cm boven den binnenteen des dijks gelegen was, een geregelde waterstraal door den dijk gedreven werd, deze zoo als mij werd medegedeeld gelijk een pomp werkte.

De Burgemeester van Nieuwkuijk, spoedig ter plaatse aanwezig, (het was toen omstreeks half tien in den namiddag) gaf onmiddellijk per expresse kennis van den toestand, zowel aan het Waterschapsbestuur te Heusden, als aan den Burgemeester van Vlijmen. Deze laatste bracht de tijding over, aan den in het wachthuis te Vlijmen zitting hebbenden heemraad van Helvoirt. De noodheemraad van Vlijmen, Bart van de Wiel en de dijkbaas P van de Wiel, waren het eerst ter plaatse aanwezig.

Men was toen reeds bezig, om tegenover de pijp langs de buitenglooiing van den dijk een berm aan te brengen. Reeds enkele masten palen van 10 12 cm over kruis   waren daartoe in de buitenglooiing geslagen. Op wiens last dit geschiedde heb ik niet met zekerheid kunnen ontdekken. Volgens den Burgemeester van Nieuwkuijk heeft hij daartoe geen last verstrekt, maar alln gezorgd dat materialen werden aangevoerd. Kort na den Heemraad van de Wiel, kwam de Burgemeester van Vlijmen en omstreeks 12 uur des middags, de waarnemend dijkgraaf de heer Th. Van Bokhoven, met den Heemraad Verhoeven, en den te Heusden voor de riviercorrespondentie gestationeerde Ingenieur van s Rijks Waterstaat, den heer Bleckmann.

De heer Bleckmann onderzocht de werking van de kwel en onderhield zich daarna met de aanwezige leden van het Waterschapsbestuur, waarop door de waarnemende dijkgraaf gelast werd een berm van 4 meter breedte, over een lengte van 25 meter langs de buitenzijde van den dijk aan te brengen van zakken met zand gevuld, gesteund door palen, welk werk dien avond gereed moest zijn. Het toezicht op de uitvoering werd aan den noodheemraad Bart van de Wiel opgedragen. De dijkgraaf, Heemraad en Ingenieur vertrokken daarop weder.

Of het waterschapsbestuur door de uitvoering van dit werk te gelasten, handelde overeenkomstig het adres van den Ingenieur, daarover zal zowel het bestuur als de Ingenieur zijn te horen.

Mij komt het voor, dat terwijl een goede gelegenheid was, om door het aanleggen van een kweldam aan de binnenzijde des dijks, of door het maken van een zware binnenberm, de werking van de doorkwelling, zoo spoedig mogelijk te stuiten, daartoe had behoren te worden overgegaan eerder dan tot een werk aan de buitenzijde onder water, dat weinig kans opleverde van aan het doel te zullen beantwoorden, gelijk de uitkomst dan ook bewezen heeft.

Intussen was het aangegeven werk tegen de avond voltooid met behulp van 23 karren voor den aanvoer van grond, 25 laders en 40 werkers op den dijk.

De berm werd tot omstreeks 30 cm boven water opgetrokken en door wat rijshout met grond gedekt. De holten tussen de zandzakken waren zoo goed mogelijk met stro aangevuld.

s Avonds te zes uur, werd door den noodheemraad van de Wiel, geconstateerd dat niettegenstaande het uitgevoerde voorzieningswerk, de pijp nog evenveel water doorliet en dat bij de uitmonding van deselve aan de binnenglooiing van den dijk, een stok ter diepte van n meter vertikaal in den dijk kon worden gestoken. s Morgens was door een der buren, de pijp gepeild. Met een boonstaak kon toen ongeveer tot twee meter diep horizontaal in het dijklichaam worden gestoken. Ook was dien dag de sloot, a b op de tekening *), waarin het kwelwater langs de grep c d  liep, reeds herhaaldelijk verstopt geweest en hadden betrokken eigenaren er enige schoppen zand uit moeten steken om den afloop van het kwelwater te bevorderen. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat reeds dien dag, ook zand door de wel werd mede gevoerd, wat trouwens niet wel anders was te verwachten.

Tegen den avond is de Heemraad van Helvoirt ook even ter plaatse geweest. De bewaking van het bedreigde punt had gedurende den nacht van 28 op 29 december plaats door H. van Schijndel, M. Voogt, P. van Krieken, B. Koolen en de veldwachter van Vlijmen Valentijn.

De noodheemraad van de Wiel en de dijkbaas P van de Wiel, bleven daarenboven afwisselend op de plaats tot des morgens 3 uur, toen de noodheemraad naar het Wachthuis te Vlijmen vertrok om rapport uit te brengen.

De aldaar wachthebbende Heemraad van Helvoirt, trof hij niet in het wachthuis aan. De heer van Helvoirt was te huis gaan slapen.  Daarom zond van de Wiel, vanuit het wachthuis, een geschreven rapport aan het Waterschapsbestuur te Heusden waarin hij berichtte dat in den toestand geen verandering was gekomen en dat de gemoederen in Nieuwkuijk nog weinig bedaard waren. Hij meldde tevens, dat hij tegen 8 uur in den morgen, weder op de plaats zou zijn.

Vr dat de noodheemraad aldaar aankwam waren de waarnemend dijkgraaf de heer Th. Van Bokhoven en de opzichter van het Waterschapsbestuur den heer van Tuijl, reeds ter plaatse geweest en hadden den dijkbaas gezegd dat het werk werd goedgekeurd, terwijl geen verdere werkzaamheden door hen werden voorgeschreven. Vervolgens begaven Dijkgraaf en opzichter zich naar het wachthuis te Vlijmen, deelden den Heemraad van Helvoirt hetzelfde mede en gelastte hem bovendien voor een bewaking door vertrouwde personen te zorgen.

De Heemraad van Helvoirt gaf hiervan schriftelijk kennis, aan den noodheemraad van de Wiel.

Waar verschillende geloofwaardige personen als, de Burgemeester van Nieuwkuijk, de noodheemraad Bart van de Wiel, Pieter van Baardwijk, landbouwer te Vlijmen, en anderen mij verklaard hebben, dat de werking van de pijp in den dijk den 29 december niet verminderd was, waaruit ten duidelijkste bleek dat het werk den vorige dag aan de buitenzijde van den dijk aangebracht, niets gebaat had, is het mij onverklaarbaar, dat de waarnemende dijkgraaf niet meer heeft laten werken om de wel meester te worden. Of de dijkgraaf zijne bevinding van dien dag aan den Ingenieur heeft medegedeeld, en zoo ja, of deze al dan niet ingestemd heeft om niets meer aan de zaak te doen, is mij niet bekend.

Dien dag bleven dezelfde personen op wacht die den afgelopen nacht als zoodanig hadden dienst gedaan. De noodheemraad van de Wiel was des daags werkzaam op andere gedeelten van den dijk, waar een langs de buitenglooiing aangebracht beslagwerk, dat schade geleden had, hersteld moest worden.

De heemraad van Helvoirt, bezocht dien dag den dijk bij Nieuwkuijk niet. De toestand van de wel veranderde dien dag niet. s avonds omstreeks 6 uur werden de vier wachthebbende personen afgelost en vervangen door W. Timmermans, A. van den Grint, M. Bruurmijn en J. Bruurmijn. Drie dezer personen zijn mij gesignaleerd als voor de bewaking zeer geschikt. Alln M. Bruurmijn schijnt een ziekelijk man te zijn en daarom minder voor dijkbewaking gedurende een koude winternacht berekend.

Niet de Heemraad van Helvoirt die door den waarnemend Dijkgraaf met de zorg voor de bewaking belast was wees deze personen voor de nachtwacht aan. Een hunner verklaart door den dijkbaas P. van de Wiel te zijn aangesteld. Van de anderen is mij niet bekend kunnen worden, wie hen voor de bewaking in dienst genomen had.

Geregeld om de twee uur werd dien avond door de gewone dijkwacht uit twee personen bestaande, den dijk tussen het wachthuis te Vlijmen en de grens met Nieuwkuijk genspecteerd. De wacht die te 6 uur van het wachthuis vertrok bestond uit Joh. Van den Heuvel en W. van Vugt: te 8 uur vertrokken Joh. Kuijs en Joh. Wolf: te 10 uur Ant. De Vaan en J. Evers: te 12 uur J. van der Vorst en A. Musch.

Daarenboven werden nog om berichten uitgezonden te 9 uur A. van Engelen en A. van Dal en te 11 uur, de beide veldwachters van Vlijmen.

Behalve door deze dijkwachten, werd het kritieke punt te circa half  twaalf in den avond nog bezocht door Cornelis Mommersteeg, Jan van Engelen, Adriaan Klomp en Hend. van der Putten.

Al de genoemde personen kwamen in het Wachthuis te Vlijmen terug, met het bericht dat de toestand niet was veranderd. Aan het werk den vorige dag aan de buitenglooiing van de dijk aangebracht, was mede geen verandering gekomen.  Ik heb dit speciaal onderzocht teneinde te kunnen nagaan, of  wellicht door de werking van den hevige zuid oosten storm 1) in den laten avond van den 29 december, de dijk aan de buitenzijde zoodanig beschadigd kon zijn, dat ten gevolge daarvan de doorbraak zou zijn te verklaren.

Een der gewone dijkwachten die te 12 uur om middernacht van het wachthuis te Vlijmen vertrok en alzo s nachts omstreeks kwartier vr n uur aan de wel kon gekomen zijn, verklaart o.a. zoowel de werking van de wel aan de binnenzijde, als de toestand van de berm van zandzakken aan de buitenzijde, nauwkeurig te hebben onderzocht, en in geen van beiden enige verandering te hebben waargenomen. Deze persoon Jan van der Vorst, die zowel te Vlijmen als te Nieuwkuijk goed bekend staat, was reeds den 28e ter plaatse geweest om met het volk van het dijkbestuur, aan de te nemen voorzieningen te werken. Hij kon dus gerekend worden met den toestand van den vorige dag goed bekend te zijn geweest.

Kort nadat van der Vorst en zijn medegezel weder naar het Wachthuis te Vlijmen teruggekeerd waren, bemerkten de wachthebbenden dat de pijp aan de binnenglooiing van den dijk groter werd. De uitmonding had toen een middellijn van 20 25 cm verkregen, de bovenrand van het gat brokkelde voortdurend af en het uitstromende water werd troebel. Eerst kreeg het water een zwarte kleur, daarna de bruine kleur van Maaswater.

Een der dijkwachten W. Timmermans, spoedde zich nu langs den dijk naar het wachthuis te Vlijmen, om van den veranderden toestand kennis te geven. Onderweg ontmoette hij de beide te 2 uur van het wachthuis afgezonden dijkwachten Joh. Kuijs en Joh. Wolf, die met hem naar het wachthuis terugkeerden.

De Heemraad van Helvoirt, liet het bericht van Timmermans onmiddellijk per expresse aan het Waterschapsbestuur te Heusden mededelen. Intussen was de dijkwacht van der Grint, nog op zijn post gebleven en zag telkens het gat door afbrokkeling groter worden en meer water doorlaten.

Toen er reeds zooveel water was binnengedrongen dat het gehele terrein tussen den dijk en den provincialen weg genundeerd was, was de dijkkruin nog intact. De dijk was als het ware uitgehold. Niet lang daarna stortte ook het bovengedeelte van den dijk in en verschafte het water zich met een oorverdovend geweld, den vrijen doortocht.

Het door mij ingesteld onderzoek naar de oorzaak van den doorbraak, heeft mij niet de minste aanleiding gegeven om zelfs in de verte te kunnen onderstellen dat hier boos opzet zou zijn in het spel geweest.

De meest natuurlijke verklaring komt mij voor de volgende te zijn:

De doorkwelling van het water werd ter plaatse sterk bevorderd door de aanwezigheid van een mollenpijp, die van de binnenglooiing tot het hart van den dijk doorliep, en waar langs het van buiten indringende water een gemakkelijke uitweg vond.

Gaande weg werd de pijp door de schuring van het doorstromende water groter. Door den hevige storm in den voornacht van den 29 op 30 december, nam de drukking van het water tegen de dijk sterk toe, het water werd daardoor met groter kracht door de pijp geperst, waardoor meer en meer vaste stoffen werden medegevoerd en het dijklichaam zoodanig ondermijnd werd, dat het uiteindelijk in een stortte en aan het water den vrijen doortocht verschafte.

Hoewel ik moet erkennen dat de middelen die aangewend zijn om het onheil te voorkomen, minder goed gekozen waren, lijdt het toch geen twijfel of de betrokken autoriteiten hebben in dezen gehandeld naar hun beste weten en geheel ter goeder trouw, en vind ik dan ook geen de minste aanleiding iemand van plichtverzuim in dezen te beschuldigen.

In het algemeen schijnt men de toestand niet zo ernstig te hebben ingezien als hij later gebleken is te zijn. 2)  Ik vertrouw door deze mededelingen aan de door mij door weledelgestrenge verstrekte opdracht te hebben voldaan

 De hoofdingenieur

  Bake  

 bron: RANB inventaris Provinciaal Bestuur

 *)  kaart niet aangetroffen

 1) volgens het ANWB informatiebord bij de wiel (ontstaan door de doorbraak), is er sprake geweest  van een zuidwester storm. Deze  informatie is dus onjuist. Ook de situering van het kunstwerk van Legs Boelen die de doorbraak moet simuleren is volgens mij onjuist.  Door de zuid-oosterstorm zal de waterstroom meer zuidoost gelegen hebben. Ook de stromingen binnendijks die over het algemeen in eerste instantie meer westwaarts lopen, bevestigen deze conclusie.

 2) de navolgende tekst is doorgehaald en vervangen en door een ander handschrift aangevuld met de laatste zin in het rapport

Waar intussen enkele leden van het Waterschapsbestuur gebleken zijn niet de nodige geschiktheid te bezitten om in tijd van nood handelend op te treden, zal ik niet aarzelen, wanneer zij na afloop van hunnen diensttijd andermaal door stemgerechtigde ingelanden mochten worden voorgedragen hunner herbenoeming te ontraden.

                                                                      Verslag polderbestuur

Verslag betreffende den doorbraak in den nacht van 29 op 30 december 1880 gevallen in den heidijk onder de gemeente Vlijmen, behorende tot het Waterschap den Hoogen Maasdijk van Stad en Lande van Heusden, verenigd met den Oudheusdenschen, Doeverenschen en Drongelenschen Zeedijk.

Ten gevolge van den hoogen stand en de nog te verwachten was van het water heeft het bestuur van het Waterschap op den 21e  December 1990, de dijken tot het Waterschap behorende, doen bewaken, het water tekende als doen aan de peilschaal te Heusden  1)  meter + AP.

Het bestuur had de overtuiging, dat de dijken in een goeden staat verkeerden, hetgeen ook wordt getuigd door den Hoofdingenieur van den provincialen waterstaat in zijn verslag over den toestand der dijken in de provincie, opgenomen in het provinciaal bijblad van 16 december 1880 N: 100

Het water bleef wassen en tekende op den 26 december 1880 5.74 Meter + AP; de dijkgraaf besloot als toen al de Station te doen bezetten, aan welk besluit onmiddellijk gevolg gegeven is, al te:

Vlijmen door den Heemraad J. van Helvoort Cz. en de Noodheemraden W. van de Wiel Az. en R. de Vaan;

Haarsteeg door den Heemrad H.A. de Jongh en den Noodheemraad J. Honcoop;

Hedikhuizen door den Noodheemraad A. Eekels en Adr. Luijben;

Bern door de Noodheemraad Th. Buijs Az. En J.C.  van Bokhoven;

Heusden door den Heemraad A.H.J. Verhoeven en P.F.A. Sprengers, Noodheemraad;

Wijk door den Heemraad W. Uithoven en den Noodheemraad J. Bouwman;

Veen door den Heemrad L. van Eethen en den Noodheemraad C. Jiskoot;

Elshout door den Heemrad C.H. Klijn en den Noodheemraad C. van Laarhoven;

Doeveren door den Noodheemraad P. Boelen;

Drongelen door den Heemraad J. Millenaar Nz. En den Noodheemraad A. Millenaar; terwijl de Dijkgraaf en de Secretaris Penningmeester te Heusden zijnde het hoofdstation mede zitting hielden.

Om de twee uur werd van elk station aan het hoofdstation bericht gezonden van den Staat des dijks en den stand van het water.

De wachten op de dijken zijn toen aanzienlijk versterkt. Op den 26 en 27 december deden er zich gene bijzonderheden aan de dijken voor. Den 28 december ontdekte men ter plaatse, waar de doorbraak gevallen is, ene wel. De Heemraad van Helvoort zond onmiddellijk zijn zoon te paard naar Heusden, om daarvan kennis te geven. Dadelijk na ontvangst van dat bericht zijn de Dijkgraaf, de Heemraad Verhoeven en de Ingenieur Bleckmann naar die plaats per rijtuig vertrokken, om de wel op te nemen.

Men vond op die plaats ene massa volk, zoomede den Noodheemraad van de Wiel. De wel en het terrein opnemende zag men, dat buitendijks in de dossering des dijk palen waren geslagen en dat op den dijk waren aangevoerd enige planken, mest en hout. Na nauwkeurige opneming der wel was de Ingenieur van oordeel, dat die niet gevaarlijk was, zij gaf helder water niet vermengd met zand of andere specie en had mindere werking dan vele andere wellen in de dijk steeds aanwezig. Ook de Dijkgraaf, de Heemraad Verhoeven en de Noodheemraad van de Wiel verenigden zich met het gevoelen van den Ingenieur.

Met elkander besprekende of er al dan niet voorzorgmaatregelen behoorden genomen te worden en in aanmerking nemende, dat het volk zeer onrustig was, besloot men, op advies van den Ingenieur, de buitenzijde van den dijk vr de wel te voorzien met een berm van zandzakken en de ruimte tussen de zandzakken en den dijk goed aan te vullen. Aan den Noodheemraad van de Wiel werd dat werk opgedragen, die er dadelijk een aanvang mede nam, mede werd hem het houden van een goed toezicht aanbevolen.

De dijkgraaf, de Heemraad Verhoeven en de Ingenieur zijn daarop naar het Station Vlijmen gegaan, waar zij den Heemraad van Helvoort aantroffen; aan hem deed men een verslag van de bevinding en beval hem ernstig aan een streng waakzaam toezicht te houden.

De berichten uit Vlijmen, verder dien dag ontvangende, waren alle geruststellend; des avonds ontving men een briefje van den Noodheemraad van de Wiel, afgeven om 6 uur, waarin hij mededeelde, dat buitendijks de wel half cirkelvormig met zandzakken was omkist op ongeveer 30 meter lengte, 4 meter breedte tot 0,3 meter boven water en de tussenruimte met zand en rijshout was aangevuld; dat de wel gelijke werking hield als des morgens; dat de plaats goed bewaakt zoude worden en volgens zijn gevoelen geen reden voor gevaar bestond.

De wel is dien nacht bewaakt geworden afwisselend door den Noodheemraad van de Wiel, den onderopzichter P van de Wiel Pzn te Vlijmen, den Veldwachter Valentijn te Vlijmen en vier manschappen. Den volgenden morgen, zijn 29 december, heeft de Dijkgraaf met den opzichter van het waterschap de wel andermaal opgenomen. Zijne bevinding was, dat de wel minder water gaf dan de vorige dag en zag er geen gevaar in. Ook de opzichter zag in de werking des wel geen gevaar. De onderopzichter van de Wiel was met vier man bij de wel, aan hem gelastte de Dijkgraaf vooreerst met verdere voorziening te nemen op te houden en een goed waakzaam oog ernstig aanbevelende.

De Dijkgraaf met den opzichter aan het station te Vlijmen gekomen, vond hij, aldaar den Heemraad van Helvoort. Aan hem deelde hij mede zijne bevinding, zoomede de lastgeving aan den onderopzichter van de Wiel gedaan en beval hem andermaal ernstig aan een zeer streng toezicht te houden en het nodig oordelende voorziening te nemen. De Noodheemraad van de Wiel was op de dijk naar de wel om een en ander in ogenschouw te nemen. De verdere berichten dien dag, aangaande de wel waren alle geruststellend.

Op den avond van dien dag ging de Noodheemraad van de Wiel wat rusten, daar hij gedurende 48 uur steeds werkzaam was geweest, had dit den Heemraad van Helvoirt medegedeeld en gezegd, dat, als er iets bijzonders voorkwam, men hem dan dadelijk moest roepen.

Tot omstreeks 2 uur in de morgen van den 30 december ontving men van den wachtdoende personen steeds gunstige berichten; volgens verklaring van den Heemraad werd dien nacht de wel bewaakt door 5 personen. Genaamd Adrianus van de Grint, Willem Timmermans, Joh. Bruurmijn, Mathias Bruurmijn en Hendrik van de Wiel alle wonende te Vlijmen, zoomede door den veldwachter van Nieuwkuik ca., terwijl andere personen hem om het uur bericht van de wel en den staat des dijks brachten. Omstreeks 2 uur werd bericht, dat de wel troebel water gaf. Dadelijk zond de Heemraad twee manschappen naar de Dijkgraaf met het bericht heden heb ik vernomen, dat er gevaar bestaat aan de Peperstraat, kom dus spoedig over . ook gaf hij bericht aan den Burgemeester van Vlijmen.

Inmiddels werd de Noodheemraad van de Wiel geroepen, die zich dadelijk naar de wel begaf. Ter plaatse komende zag de dijk doorgebroken en herstel voor het ogenblik ondoenlijk was.

Het bericht van de Heemraad kwam te Heusden omstreeks 4 uur s morgens aan. Dadelijk deden de Secretaris-Penningmeester en de opzichter, die wakende waren, den Dijkgraaf en den Heemrad Verhoeven roepen en inmiddels een rijtuig inspannen. De Dijkgraaf, de Heemraad Verhoeven en de opzichter vertrokken omstreeks half vijf uur naar Vlijmen. Te Herpt komende werd de opzichter ongesteld en moest terugkeren. De dijkgraaf en de Heemraad voortrijdende, werden zij te Haarsteeg overvallen door een sterke stroom waters, zoodanig dat voortrijden ondoenlijk was en zij moesten vluchten in een huis aldaar, waar zij, tot omstreeks 11 uur voormiddag gezeten hebben eer zij verlost werden.

Zodra zij, aan den dijk kwamen spoedden zij zich naar Vlijmen, de Dijkgraaf vermoeid zijnde bleef in het station, terwijl de Heemrad Verhoeven naar den doorbraak ging. Op weg daarheen ontmoette hij den Heer Commissaris des Konings van Noord Brabant.  Met Z.H.E.G. daar komende zag men den doorbraak en dat dadelijke dichting onmogelijk was.

Vr den doorbraak is van particulieren bij het dijkbestuur geen bericht ontvangen, waarin gewezen werd op den slechten toestand van den dijk. Alleen op den 28 december 1880 heeft de Burgemeester van Vlijmen aan het station Vlijmen bericht gebracht, dat hij van den Burgemeester van Nieuwkuik ca. een expresse per paard had gehad met bericht, dat er gevaar bestond aan de dijk nabij de Peperstraat.

Bij dit verslag hebben wij ons bepaald enkel tot het doen van mededelingen aangaande de handelingen van ons college; van ene algemene bespreking der beschuldigingen hebben wij ons opzettelijk onthouden, omdat de waarde daarvan voldoende zal uitkomen wanneer het ingesteld onderzoek is afgelopen; evenmin is beroep gedaan op zoovele achtenswaardige personen, die met ons van oordeel waren, dat er geen gevaar aanwezig was.

Ook omtrent de naaste oorzaak van den doorbraak is door ons het stilzwijgen bewaard, omdat dienaangaande bij ons een gevestigde overtuiging ontbreekt; de dien nacht gewoed hebbende storm is het enige punt, dat wij met zekerheid kunnen constateren.

Van den Heemraad van Helvoort is door den Dijkgraaf een schriftelijk verslag gevraagd omtrent de bewaking van den dijk; zulks is door hem geweigerd af te geven; wel is hij bereid verslag te geven aan den Commissie des Konings en aan de Justitie, als zulks verlangd wordt.

De Noodheemraad van de Wiel is bereid des verlangd een schriftelijk verslag van zijn bemoeiingen en bevinden te geven.

Aldus opgemaakt door het Bestuur van het Waterschap voornoemd, den 31 januari 1881.

(get)       F. van Bokhoven,  L.D.

                M.A. Boll,  Secretaris-penningmeester

Op grond van bovenstaand rapport en het rapport van de hoofdingenieur van de Provincie blijven rond de schuldvraag nog vele vragen openstaan. Waarom wordt er wel strenge dijkbewaking ingesteld als de wel als niet gevaarlijk wordt beschouwd ? Waarom wordt er geen aktie ondernomen als blijkt dat de noodmaatregelen buitendijks geen verbeteringen blijken op te leveren ? Waarom weigert de Heemraad van Helvoort  schriftelijk verslag te doen ? Waarom doet de hoofdingenieur geen verder onderzoek naar de bevindingen van Ing. Bleckmann c.q. waarom heeft hij hem niet gevraagd waarom hij alleen buitendijks maatregelen heeft laten nemen.

Een voorzichtige conclusie die getrokken mag worden is dat het waterschapsbestuur geen krachtig bestuur is geweest, dat het bestuur de verkeerde maatregelen heeft getroffen en nadat was vastgesteld dat de getroffen maatregelen geen vruchten afwierpen  heeft men geen verdere aktie ondernomen. De Heemraad van Helvoort de situatie erg onderschat heeft en zelfs nauwelijks de moeite heeft genomen zelf de situatie te gaan bekijken.

Kennelijk was er ook onvoldoende kennis aanwezig om de juiste maatregelen te treffen, en kan men zich afvragen waarom er geen beroep is gedaan op deskundigen van buiten ?

(Zoals nu ook in 1999 bij de Bijlmerramp blijkt, blijft het niet eenvoudig de ware toedracht boven water te krijgen als de verantwoordelijken elkaar uit de wind houden).

 Bron: RANB archief van Provinciaal Bestuur

 1) niet ingevuld

 ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Watersnood 1880

 

Aan de heer Luit Kolonel Commanderende de divisie Koninklijke Marechaussee van Brabant en Zeeland

te s Bosch

Onderwerp Dijkdoorbraak te Nieuwkuik

 

s Bosch den 27 februari 1881

 

Thans nu de ramp, die de gemeente Nieuwkuik, ten gevolge der dijkbreuk in de nacht van den 29 den 30 december l.l. voorgevallen, getroffen heeft, in een tijdperk is getreden dat tot een geregeld overzicht kan worden overgegaan van hetgeen daarmede vangezeld ging, acht ik het oogenblik gekomen, u Hoog Edelgestrenge meer  van nabij  bekend te maken, met de gewichtige diensten daarbij door het personeel van de onder mijne bevelen staande brigades Waalwijk en Heusden bewezen.

Daartoe dan overgaande geef ik mij de eer U Hoog Edgestrenge het volgende verslag voor te leggen.

Toen in den morgen van den 30 december het gerucht van den doorbraak der Heidijk te Nieuwkuijk, zich te Waalwijk verspreidde, deed de Brigade Commdt zijn personeel onmiddellijk derwaarts oprukken om volgde dit op den voet, na eerst spoedig voor telegrafische mededeling daar waar nodig gezorgd te hebben.

Het was in den voormiddag ten elf uur circa, dat de Wachtmeester Van Schuppen op den met vluchtelingen bezetten dijk te Nieuwkuijk aankwam, en van dat standpunt uit bereids de marechaussee Hoogerheide en Brouwer met een burgerpersoon wiens naam nog onbekend is, in een bootje naar de reeds diep in den stroom staande huizen zag heenvaren, hij bemerkte daarbij dat het bootje vastgeraakte op een paaltje of heining en dat het eerst na vele vergeefse pogingen waarbij de beide marechaussees zich te water begaven, gelukte het ranke vaartuig weder vlot te krijgen.

Bijna gelijktijdig met die waarneming hoorde de wachtmeester van Schuppen een noodkreet opstijgen uit een huis niet ver van daar gelegen. Dit gaf hem aanleiding om een persoon die hij in een bootje aan de dijk zag, (later gebleken te zijn Pieter van Crieken uit Vlijmen) voor te slaan met hem op dat noodgeschrei af te gaan.

Aanvankelijk niet genegen met het oog op het gevaarlijke der onderneming en bijstand nodig achtende van ander schippers, stemde hij op de mededeling van den wachtmeester die inmiddels al badende zich in de boot begeven had, dat hij ook genoegzaam bedreven was in het schippersvak er eindelijk in toe.

Ondanks den fellestroom, die daar ter plaatse ging, gelukte het hun tot het huis te geraken en terwijl nu de bewoners C. van Bladel en zijn vrouw hen van uit den zolder een ander huis aanwezen, onder den uitroep haalt eerst die mensen die zitten nog veel gevaarlijker dan wij, werd derwaarts onmiddellijk een nieuwe tocht ondernomen. Niet dan na veel krachtsinspanning geraakten zij dat huis op den zolder waarvan de bewoners Siemon Pelders 1), diens vrouw en dochter gevlucht waren.

De redding dezer lieden ging met veel gevaar gepaard, daar de stroom langs dit huis geweldig snel ging, en de hoogste krachtsinspanning gevorderd werd, om het bootje vast en met den steven recht in den stroom te houden. Bovendien werd de redding bemoeilijkt door dien Pelders en zijn vrouw mank gaan en enigzinds gebrekkig zijn. Met behulp van een ladder gelukte het eindelijk hen door een bovenraampje in de boot te krijgen.

Nadat dit huisgezin behouden op den wal was aangeland, zond de wachtmeester begaan met hun lot, hen onverwijld naar Waalwijk bij zijn vrouw, zorgde later voor een onderkomen en heeft hen gedurende vier weken liefdelijk bijgestaan waarvan ik enige dagen later te Waalwijk zijnde ooggetuige ben geweest. Die mensen waren innig overtuigd, dat zij aan den wachtmeester Van Schuppen hun leven konden danken.

Na deze gelukkig volvoerde redding werd door den Wachtmeester met van Crieken opnieuw koers gezet naar de woning van den reeds vroeger vermelden C. van Bladel.

Ook deze lieden moesten met behulp van een ladder in de boot gebracht worden. Daar de voorgevel van dit huis minder in den stroom stond dan dat van Pelders ging die operatie geleidelijker van de hand.

Toch bleef het gevaar groot, omdat de mogelijkheid van met het bootje op palen of heiningen te stoten, hetwelk het omslaan ten gevolge zou hebben, ook hier even als elders steeds bleef bestaan.

In den middag van dien zelfden dag, mocht het den wachtmeester van Schuppen opnieuw gelukken, onder gelijke omstandigheden, vergezeld van een dusverre nog onbekenden schipper een vrouw en meisje te redden uit een huisje dat in een felle stroom ten westen van den doorbraak stond. Tegen den avond van dien dag trof de wachtmeester van Schuppen de marechaussees Hoogerheide en Brouwer welke hij des morgens had zien heenvaren weder aan, eerstgenoemde doornat, doordien hij te water had gelegen. Ook zij hadden dien dag een werkzaam deel genomen in de redding van vele ingezetenen uit hunne woningen en zulks met ene oude lekke boot daar gene andere vaartuigen aanwezig waren.

Onder de reddingen die Hoogerheide en Brouwer dien dag hadden volbracht was die van de vrouw van Jan van Helvoirt met hare vijf kinderen met heel veel gevaar gepaard gegaan, door dien die vrouw onnozel is, zeer onhandig en erg bevreesd was. Bij het  heenvaren naar dien woning werd het bootje door een stroom tegen een boom geworpen. Daardoor en tegelijk door ene onhandige beweging met den vaarboom door den mede opvarenden onbekenden burger was Hoogerheide over boord geslagen. Vandaar dat hij nog doornat door den wachtmeester werd aangetroffen . De namen der overige door hen geredden zijn niet bekend geworden of bewaard gebleven. In een eersten aanloop ging alles verward in zijn werk en werd naar namen niet geinformeerd. Met de hierboven bedoelde boot, die zoo lek was, dat bijna voortdurend met een blikken emmertje het water uitgehoosd moest worden, ondernam nu de wachtmeester van Schuppen met Hoogerheide en Brouwer na hunne ontmoeting, zoo even gezegd, eene verkenningstocht na enige huizen nabij de kerk gelegen, om na te gaan of er  nog ingezetenen in gevaar verkeerden. Werkelijk werden daarbij nog twee personen uit hunne woningen gered en aan den dijk gebracht. Het waren jonge lieden van circa 20 jr., wier namen mede  onbekend zijn gebleven.

Die redding, het was reeds donker ging gepaard aan grote moeilijkheden, daar de zwakke boot door den snelle stroom tegen de langs de weg staande bomen werd geslingerd, soms met zooveel kracht, dat de opvarenden vreesden dat het vaartuig uiteen zou slaan. Na deze redding gelukte het hun nog twee paarden uit den stroom te halen, waaraan ook eigenaardige moeilijkheden verbonden waren.

Alsnu verleenden zij ondanks het vergevorderd uur bijstand in het aanvoeren van levensmiddelen. Persoonlijk vervoerden zij een kar met brood uit het dorp Drunen naar hunne boot, laadden die levensmiddelen daarin over en brachten ze vervolgens te Nieuwkuik bij den burgemeester. Nadat het vergevorderde avonduur bereids dieper was ingevallen, werden de marechs Hoogerheide en Brouwer te Drunen op het raadhuis ingelagerd, teneinde zich nu ook voegden de marechaussees de Boer en de Visser, die den gansen dag mede hadden gesurveilleerd en zooveel mogelijk de vluchtelingen hadden bijgestaan, goederen en vee hadden bewaakt en helpen redden, echter niet in de gelegenheid waren geweest zich te water te begeven bij gebrek van enig vaartuig.  De wachtmeester van Schuppen begaf zich in het nachtelijk uur naar zijne standplaats terug, om zich den volgenden morgen (31 dec) vroegtijdig weder op zijn post te begeven.

Op den dijk van den Baardwijkschen overlaat staande vernam hij nu, dat in het naburige Elshout ingezetenen in nood verkeerden. Niet zonder eenige overreding haalde de wachtmeester van Schuppen den dekknecht der Waalwijksche goederenboot Hendrik Verbiezen, die vangezeld van den wethouder C. van der Heijden uit Waalwijk, daar met een boot met levensmiddelen was aangekomen, over om met hem derwaarts te varen. Nu wachtmeester zeide Verbiezen eindelijk, ik ga met u mede onder voorwaarde dat gij even cordaat blijft als nu.

Het bootje werd over den dijk gesleept en van levensmiddelen voorzien de tocht ondernomen, ondanks belangstellende personen het waagstuk afraadden. Het bleek gelukkig dat de stroom minder snel ging, dan te Nieuwkuijk, doch de boot geraakte op een paal vast en niet zonder veel tobben en gevaar geraakte zij weder vlot. Aan de bewoners van den Elshout die op hunne zolders gevlucht waren, werd het medegevoerde brood uitgedeeld en vier kinderen van Johannes Brok door het zolderluik opgeladen, behouden aan den dijk gebracht.

Na deze flinke daad werd ene boot met levensmiddelen te Drunen uitgerust en daarmede voer vervolgens de wachtmeester in vereniging met den molenaar Lucas Manders en de hulponderwijzers van Oudenhoven en Verhoeven buitendijks naar Nieuwkuijk, een afstand van bijna twee uren gaans, waarbij voortdurend tegen een zeer sterken stroom geworsteld moest worden. Het was dan ook avond toen men daar aankwam. Al dadelijk bij aankomst te Nieuwkuik vernam de wachtmeester ( met veel ophef), dat zijn manschappen (vooral Hoogerheide) dien dag vele ingezetenen met levensgevaar hadden gered en andere gewichtige diensten  bewezen hadden .  Van verschillende geredde personen en van geloofwaardige ooggetuigen vernam de wachtmeester verder dat de marechaussee Hoogerheide onder trouwen bijstand van den schipper Hendrikus Henskens (uit Nieuwkuijk) uit een diep in den felsten stroom staand huis had gered

1.     Michiel van de Water

2.     de wed. van Buul en hare dochter

3.     Adriaan Bruurmijn met vrouw en kinderen, welke laatste op het dak hunner woning aan die van eerstgenoemde waren komen aandrijven. Aangezien het huis van van de Water alwaar alle deze personen op den zolder gevlucht waren, recht voor den doorbraak stond, moet de redding met veel levensgevaar gepaard zijn gegaan.

Met dienzelfde  schipper Henskens redde daarna de march. Hoogerheide, Godefridus Verhoeks, diens vrouw en vijf kinderen, uit hunne in de nabijheid van den doorbraak gelegen woning.

Met behulp van twee uit s Bosch afgezonden schippers (vermoedelijk Gradus Nuy en Nicolaas den Buijser 2) in de Langstraat tehuis behorende) werden vervolgens door Hoogerheide uit hunne gevaarlijke woningen bij onderscheidene tochten gered de navolgende personen

1.     Joost van der Sterren

2.     Lambertus de Pint en diens vrouw uit de woning van eerstgenoemde  nabij den doorbraak

3.     Antonie van der Sterren met vrouw en dienstmeid

4.     Jan van Engen

5.     Vrouw van Bladel met een kind

6.  Thieleman Mommersteeg met vrouw en vier kinderen

Vooral de redding van de laatste ging gepaard aan vele moeilijkheden en levensgevaar. Het huis toch was door de felle stroom reeds grotendeels weggespoeld. Men moest eerst ene lijn aan een boom vasthechten en daar langs de boot doen afzakken om te voorkomen dat het vaartuig niet tegen het wrakke huis werd geslingerd waardoor het nog staande gebleven gedeelte kon instorten en de opvarenden zoowel als de in nood verkerende bewoners een wissen dood zou hebben aangebracht.

Na te zijn aangeland ontstond evenwel grote moeilijkheid om de bewoners in de boot op te nemen. Gene andere wijze van redding was mogelijk, dan met de vaarbomen en met haken ene opening in de nog staande gebleven muren te maken, en daardoor heen de bewoners te verlossen en aldus geschiedde.

7.     de wed. Jan van Schijndel met vijf waaronder zeer jeugdige kinderen. Om deze woning te bereiken moest men tussen verschillend ten dele weggeslagen huizen in felle stroom heenvaren.

8.     Michiel Pullens met vrouw en dienstmeid.

9.     Gebroeders Floris wiens huis grotendeels was ingestort. Nog werden door hun enige ingezetenen gered, doch namen van hen zijn bijgebleven en

10.   Mejufrouw  Langenhuizen oud 80 en hare dochter oud 40 jaar.

Het is bekend, dat aan andere schippers voor de redding dezer 100 was geboden doch  te vergeefs. Hoogerheide en de beide schippers deden het natuurlijk kosteloos en zoo als de wethouder van den Broek getuigde, met ware doodsverachting, daar het huis gedeeltelijk neerplofte toen Hoogerheide zich door het dak een weg naar den zolder baande.

Ook de marechaussee de Boer en de Visser hebben dien dag (31 dec) met den schipper Hendrikus van Veghel (uit Nieuwkuijk) uit hunne woningen gered

     1.     Waltherus van den Brand met twee dochters
2.     Johanna van der Sterren
3.     Wed. Verdiezen  met drie dochters en een zoon, alsmede uit hare woning
4.     Wed. van Son
5.     Antoinetta van Dijk
6.     Arnoldus Wilgers
7.     M. van Wijk
8.     W. van der Lee

De woningen van van den Brand, van der Sterren en Verdiezen lagen in een felle stroom en waren moeilijk te bereiken. Bij en aan die huizen, waren andere huizen gedeeltelijk weggespoeld en daar ter plaatse hadden zich grote wielen gevormd, waardoor het passeren van het vaarwater zeer gevaarlijk was.

De marechaussee Brouwer kon wegens ene verzwering aan de hand geen deel meer nemen aan de tochten te water, en was de watersnoodcommissie behulpzaam in het uitdelen van levensmiddelen bewaakte die en surveilleerde het vervoer.

Op de 1e Januari werd door den marechaussee de Boer met de Bossche Schippers Johannes Meijer en Nicolaas van Sonsbeek benevens door den onbezoldigde rijksveldwachter van Son (Henricus) 3) uit Drunen uit een gedeeltelijk reeds ingevallen huis tussen Nieuwkuijk en het gehucht Hoeven met veel inspanning en gevaar gered de vrouw van Marinus van Wijk met vier kinderen.

Nadat nu alle deze reddingen tot stand gebracht waren, heeft de brigade Waalwijk zich verder dag en nacht met ijver in de weer gesteld tot redding van vee waar die nog kon geschieden, het opvissen van goederen, afhalen en rondbrengen van levensmiddelen, het helpen verzorgen van noodlijdenden en het waken tegen mogelijke diefstallen uit de overstroomde huizen en omgevingen.

Het is wel niet mogelijk in alle bijzonderheden de diensten te schetsen door die brigade gepresteerd.  Een voornaam punt zij nog aangestipt namelijk de surveillance op het verdronken vee, het toezicht houden op het begraven zoo mede op het desinfecteren. Bij alles dat toezicht, regeling of ordening vereiste waren de marechaussees tegenwoordig en naast den Burgemeester en de Watersnoodscommissie waren zij de personen tot wien de ongelukkige ingezetenen zich wendden om hulp en bijstand die zij steeds liefdelijk verleenden.

De wachtmeester van Schuppen wiens tegenwoordigheid uit den aard der zaak, dikwijls op andere punten zijner bewakingskring werd gevorderd, en die voor ene geregelde dienstuitoefening bij dat alles te zorgen had, keerde in den regel telkens naar zijne standplaats terug, en moest dikwijls met veel inspanning en moeite den Baardwijkse overlaat passeren. Op zekeren avond over het ijs willende gaan geraakte hij bijna verdoold. Ook het verder personeel heeft die passage dikwijls onder ongunstige omstandigheden moeten volbrengen. Een ander maal, het was op 14 januari, ten deele badende en over het ijs passerende, viel de wachtmeester in ene laagte en zulks onder eee scherpe koude die zijn natte klederen spoedig deed bevriezen.

Het personeel had het bij de diensten soms zwaar te verduren. Nu eens in lang niet uit de kleren, dan weder geraakte men doornat. Dit was o.a. met den marechaussee Brouwer het geval, die bij het nasporen van goederen door het ijs geraakte.

Ik heb nu nog, de eer betreffende deze brigade hierbij overleggen, een tweetal loffelijke getuigenissen en acht thans de beurt gekomen aan de brigade Heusden om ook loffelijk de diensten te vermelden, door de leden deze brigade gepresteerd.

Aanvankelijk van Nieuwkuijk gescheiden door een onmetelijke waterplas en bij gemis van vaartuigen tot werkeloosheid genoodzaakt, greep het personeel in den namiddag van den 31 december gretig de gelegenheid aan om zich te water te begeven, toen het mij mocht gelukken een tweetal booten met vijf schippers bemand op dien dag ter beschikking der brigade te kunnen stellen. In een oogwenk waren die booten uitgerust en met proviand geladen en sedert dat ogenblik heeft de brigade Heusden met bijzonderen ijver belangrijke diensten bewezen, de omliggende streek trouw van levensmiddelen voorzien, tegen roof en dieverij gewaakt, en zich steeds met de bewoners dier overstroomde streek in verbinding gehouden hulp en bijstand verlenende daar waar nodig.

Alle de tochten door de brigade Heusden dagelijks, zoo bij dag als bij nacht volbracht waren moeilijk en lang niet zonder gevaren, vooral daaraan toe te schrijven, doordien men urenlang over overstroomde terreinen van allerlei aard moest varen, nu en dan vastgeraakte en dan weder gevaar liep op palen, hekken of bomen terecht te komen, waardoor, vooral indien dit met enige kracht zou geschieden altijd gevaar bestond tot omkantelen, of tot het lek geraken der boot. Bijzonder was dit het geval bij den storm op den 5 januari; waarin ik mij persoonlijk met de brigade heb bevonden . Met den wachtmeester Kok, den marechaussee Meyll en de schippers Charles Arends en Jan Segveld zette ik in den namiddag van dien dag koers van Nieuwkuijk naar Heusden. Niet dan met de grootste krachtinspanning moest tegen de zware rukwinden opgewerkt worden. Meermalen gingen de vaarbomen verloren, die dan met ontzaglijk veel moeite weder opgehaald werden.

In het Herptsche veld gekomen, waar het water zeer hoog ging, ontwaardden wij in de verte de andere boot der brigade met de overige manschappen bemand, die ondanks het ruwe weder, getrouw aan de gegeven opdracht, met proviand en ter nachtelijke surveillance uitvoeren. Met de bemanning mijner boot was ik het eens, dat het weer voor de vaart te ruw en te onstuimig was en gaf ik daarom last hen te praaien. Onder bereik zoo veel mogelijk gekomen achtte ik hen verlof tot terugkeer te moeten geven.

Toch wilden ze liever eerst nog tot de Hoeven doorgaan, vooral omdat zij medicijnen en vlees aan boord hadden voor den zieken jongeling Paaijmans.

De marechaussees Haars, Westdorp en Bertou zomede de Bossche schippers Jan Kruithof, Evert Valk en Frans Mathieu verdienen daarvoor hogen lof. Zij waren des avonds, evenals wij weder behouden te Heusden terug.

Ook den vorige dag had ik deze manschappen en deze schippers onder Nieuwkuijk ijverig in de weer aangetroffen. Hunne boot was toen  topvol geladen met allerlei voorwerpen, die zij hier en daar hadden opgevist om die in bewarende hand te stellen.

Was de brigade Heusden niet in de gelegenheid geweest, om in den eersten aanloop ter plaatse te kunnen zijn, hare diensten waren toch mede op het punt van redding nog gewichtig. De wachtmeester Kok bevond zich namelijk op 1 januari in Nieuwkuijk, toen hij vernam, dat de echtelieden Bruurmijn nog op den zolder hunner woning, welke reeds gedeeltelijk was weggespoeld, aanwezig waren. Kok met den marechaussee Meyll en eenige Gorkumsche schippers begaven zich te water, doch deze schippers achtten de zaak te kritiek en gaven de onderneming op. Nu herhaalden Kok en Meyll met de bovengenoemde Bossche schippers Arends, Kruithoef en Mathieu, met de brigade dienst verrichtten, de poging tot redding.

Tegen de felle stroom op en tussen de gevaarlijke passage van gedeeltelijk ingestorte huizen door, gelukte het in de nabijheid de woning van Bruurmijn te geraken. Ten gevolge ophoping van zand kon men niet onmiddellijk aan het huis geraken. Kok sprong daarom uit de boot, doch zonk spoedig tot aan de knien in het zand. In allerijl wierp men hem een plank uit de boot toe en daardoor kreeg hij vasten bodem. Van achter de woning moest evenwel ene ladder gehaald worden en na een geimproviseerde vloer gemaakt te hebben, klom de marechaussee Meyll naar boven en droeg de oude lieden de woning uit en ladder af alwaar Kok ze opnam. Daarop werd de terugtocht, even gevaarlijk als het heenvaren, aangenomen en ook nu landde de boot met de opvarenden, ondanks den gevaarvolle weg, behouden aan.

Bij de verschillende dienstverrichtingen, vooral ook toen het water zich hier en daar door de strenge vorst vastzette, heeft het personeel der brigade Heusden het evenals dat der brigade Waalwijk, zeer zwaar te verduren gehad. Soms ook in lang niet uit de kleren en dan ook weder doornat.

Dit laatste was o.a. het geval met den marechaussee Meyll die op zekeren dag in het oude Maasje is gestort, evenals de wachtmeester Kok en de marechaussee Bertou enige dagen later overkwam toen zij, onder een scherpe vorst, in een gat geraakten en daaruit doornat zich moesten redden. Ook op den dag van den beruchten sneeuwstorm (18 januari) heeft het veel te doorstaan gehad. De marechaussee Meyll heeft bovendien aan een hoge mate van tegenwoordigheid van geest zijn behoud te danken, bij gelegenheid dat hij en twee schippers te Nieuwkuijk met hunne boot door den stroom werden medegevoerd.  Het was bij gelegenheid der stroomverlegging 4) aan de kerk, welk gebouw met ondergang werd bedreigd. Tegen die stroomverlegging, bestond enig , alhoewel niet openlijk, verzet, van de zijde van eigenaars van percelen, die beweerden nog groter gevaar te lopen, wanneer de afgeleide stroom die lange hunne percelen kwam vermeerderen.

Met dat werk was belast de Heer Henri de Leeuw uit Deuteren, die opdat men hem niet zou bemoeilijken, op den bijstand van het wapen veel prijs stelde. Ter plaatse zijnde droeg ik het aanwezig personeel op, den Hr de Leeuw zooveel mogelijk te steunen. In den nacht nu van 4 op 5 januari begaf de Hr de Leeuw zich herhaaldelijk in een boot naar de kerk om te surveilleren en den toestand gade te slaan. Bij die tochten vergezelde hem de marechaussee Meyll in een andere boot gezeten, eveneens met schippers bemand. Eensklaps geraakte de boot waarin Meyll zich bevond in den stroom en werd medegevoerd. Een boom vastgrijpend, daarom de armen slaan en met de knieen tegen de zijstukken der boot gedrukt deze in bedwang te houden, was voor de opvarenden het werk van een ogenblik. Uit deze netelige en gevaarvolle toestand werden zij, op hun hulpgeroep, verlost door den Hr de Leeuw, die daartoe eerst eene lijn aan een boom moest vasthechten om daarlangs met de boot af te zakken.  De hr. De Leeuw verdient daarvoor hoogen lof. Zonder zijn moedigen bijstand ware het allicht met Meyll en de schippers gedaan geweest. Den volgenden dag is de Hr. De Leeuw ter zelfde plaatse met een boot omgeslagen.

Er rest mij nog, ook ten opzichte dezer brigade een tweetal loffelijke getuigenisse hieraan toe te voegen. Wanneer ik thans, aan het eind van mijn verslag gekomen om niet te langdradig te zijn, een blik mag terugwerpen, op de flinke daden, zelfopofferende handelwijzen, en trouwe plichtsbetrachting in dikwerf moeilijke ogenblikken, dan vermeen ik daaruit de gevolgtrekking te mogen maken, dat het personeel der brigade Waalwijk en Heusden, zich zonder onderscheid, al naar mate der omstandigheden waarin een ieder individueel zich heeft bevonden, bijzonder en hoge mate verdienstelijk heeft gemaakt en met onbezweken ijver gedurende den langen duur der catastrophe te Nieuwkuijk pal heeft gestaan. Hen bij u Hoog Edelgestrenge voor een welverdiende onderscheiding te moeten aanbevelen, acht ik mijnerzijds een duren plicht. In het bijzonder geldt dit de beide brigade commandanten, de wachtmeesters Kok en van Schuppen, die zich als verdienstelijke onderofficieren, onder zoo menig opzicht, reeds een welverdienden naam hebben gemaakt, voor hun moedig initiatief en voorbeeld, hetwelk zeer zeker niet zonder terugslag is gebleven op hunne ondergeschikten. Van deze moge de marechaussee Hoogerheide wat meer op den voorgrond komen, allen hebben niettemin gedaan wat zij doen konden en wat de gelegenheid hen voor de hand bracht grepen zij moedig en onversaagd aan

De Kapitein Diekhoff

 1)  Genoemd kind is mijn oma  Johanna Pelders (geboren 22.10.1871), die woonde waar nu de Pastoor Becxstraat is. Zij zou ongeveer 3 weken is het spinhuis te Waalwijk gewoond hebben.           

2) bij schrijven d.d. 3 maart 1881 geeft de kapitein aan dat de schippers genaamd zijn:
Martinus Boerboom machinist te s Bosch, Antonius van Hooft te Lith varende en Josephus van der Sande  stuurman te s Bosch. De namen Gradus Nuy en Nicolaas den Buijser mij aanvankelijk opgegeven vervallen daardoor. Evenwel ook deze zijn, evenals nog vele anderen hier en in de omstreken te huis behorende, te Nieuwkuijk verdienstelijk werkzaam geweest.

3) Dit betreft mijn overgrootvader Hendrik van Son, wonende achter het kasteel van Drunen

4) Onderzoek ter plaatse leidde tot de ontdekking dat aan de westzijde van de kerk naast en onder een deel van de fundamenten een wiel was ontstaan van meer dan 4 meter diep. Met bekisting en duizenden zandzakken, waarbij de bomen langs de weg als steunpunten dienden is de stroom van de kerk afgeleid. (Chappuis blz 87,88)

Bij schrijven dd 22 maart schrijft de bovengenoemde kapitein de navolgende  brief

Ik heb de eer u Hoog Edelgestrenge hierbij aan te bieden, eene verklaring van den Hr. Burgemeester te Nieuwkuijk, nopens drie schippers die bij den dijkbreuk aldaar, belangloos en met levensgevaar, de wethouder van den Broek benevens nog acht andere personen uit diens huis hebben gered. Hunne namen zijn: Willem Warnaar, matroos op de Amsterdamsche schroefboot alhier, Willem van Kooij, schipper mede alhier en Hendrik de Weert schipper te Werkendam woonachtig. Het feit was mij bekend geworden bij gelegenheid, dat ik informeerde naar de schippers die met mijn onderhebbende personeel hadden samen gewerkt. Te Nieuwkuijk liet ik hen daarom in de aandacht brengen, ten gevolge waarvan mij de verklaring is geworden, wat niet direct in mijne bedoeling heeft gelegen. Niettemin beveel ik hen gaarne aan. (zie Chappuis blz 29 t/m 35, de hem onbekende redders zijn hiermee bekend ).

 

bron: RANB Provinciaal bestuur van Noord Brabant 1814-1920 invent nr.  4.493